Microsoft WCF services, WF workflows of de combinatie van beide hebben een centrale plaats, een "host" nodig om in te draaien. In versie 3.5 is er de keuze voor IIS (evt. Windows Activation Services (WAS)), een Windows Service of een eigen console- of Windows-applicatie. Ze hebben allemaal hun voor- en nadelen, maar de afweging welke het beste is, is soms moeilijk. Tevens dient de ontwikkelaar de hostapplicatie te voorzien van functionaliteit voor het uitvoeren van huishoudelijke werkzaamheden zoals het netjes starten en stoppen, persistence, tracking, monitoring en instantiatiegedrag. En dan moet de host het liefst nog schaalbaar zijn ook.
Dit alles wordt geboden door "Dublin", een codenaam voor een set van extensies op Windows Server bovenop het fundament van IIS en WAS. "Dublin" wordt gepositioneerd als dé centrale plaats en schaalbare host voor WCF services en WF workflows. Daarbij is "Dublin" bijzonder geschikt voor lang lopende services, zoals die bijvoorbeeld met WF gebouwd zijn. De persistentie-functionaliteit zoals die al in eerdere versies van WF zit nu ook in "Dublin" met extra functionaliteit. Zo kunnen langlopende services worden gepersisteerd zonder dat dit een WF workflow hoeft te zijn. Dit komt de schaalbaarheid ten goede.
"Dublin" biedt ook functionaliteit om services automatisch te starten in plaats van een start bij de eerste aanroep, waarbij vaak nog allerlei initialisatie moet plaatsvinden. Zo'n eerste aanroep hoeft dan niet zo lang meer te duren. "Instance-restart" is ook zo'n feature van "Dublin". Soms kan het zijn dat er altijd een bepaald aantal instanties van een service gestart moet zijn en moet staan te luisteren naar aanvragen. "Dublin" houdt die instanties in de gaten middels een "heartbeat" en als er een bepaalde tijd geen antwoord komt van een service-instantie, dan wordt deze service automatisch herstart. Dit bevordert de betrouwbaarheid.
"Dublin" biedt ook mogelijkheden om op basis van de inhoud van berichten en een set door de ontwikkelaar gedefinieerde routeringsregels, deze berichten te routeren naar bepaalde services. Dublin wordt voorzien van management en monitoring functies, bereikbaar via de IIS Manager of de PowerShell. Beheerders kunnen services installeren, starten, stoppen, herstarten, en de status van services uitvragen. "Dublin" is gepositioneerd als hét schaalbare platform voor het draaien van WCF (workflow) services binnen een organisatie. De term ‘applicatieserver' krijgt dan ook in de Microsoft-wereld meer betekenis.
Sinds eind november 2009 wordt "Dublin" samen met het gedistribueerde caching mechanisme "Velocity" aangeboden als aparte download onder een nieuwe naam "Windows Server AppFabric - beta 1". Hiermee krijgt IIS in combinatie met Windows Server betere mogelijkheden om een schaalbaar applicatie-hostingplatform te zijn.
De status van "Windows Server AppFabric" is nog Beta 1. Wanneer de release plaatsvindt: de tijd zal het leren...
Over Windows Server AppFabric en de relatie naar een andere "AppFabric" van Microsoft volgt later meer, in een andere post.
Share this | 73 keer bekeken | 0 reacties




